Wettelijk kader

  • De Belgische wetgeving

    Het wettelijke kader van mediatie wordt geregeld door de wet van 21 februari 2005 (Belgisch Staatsblad van 22 maart 2005). Ze heeft een dubbel doel. Enerzijds wil de overheid het gebruik van mediatie stimuleren om geschillen op te lossen. Anderzijds wil ze het dikwijls dure en tijdrovende klassieke gerechtelijke systeem ontlasten, dat bovendien ten minste een van de partijen ontevreden stelt.

    Door deze wet is mediatie een rechtsinstrument dat gelijkwaardig is aan de klassieke juridische procedure en aan conciliatie en arbitrage.

    Zowel de partijen zelf als de rechter kunnen voorstellen om gebruik te maken van mediatie. Daarbij wordt het grootste belang gehecht aan vertrouwelijkheid: inbreuken worden gesanctioneerd met schadevergoedingen, verhoogd met interesten. De wet voorziet ook in strikte richtlijnen voor de erkenning van mediatoren.

  • De Europese Richtlijn

    De richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement (21 mei 2008) heeft tot doel de lidstaten aan te moedigen om mediatie te gebruiken in burgerlijke en zakelijke geschillen. Er werd ook verwacht dat ze die normen tegen 21 mei 2011 in hun wetgeving zouden opnemen. De meeste landen hebben zich daaraan gehouden.

    Een nieuwe resolutie van 25 oktober 2011 spoort de lidstaten aan meer voorlichtingscampagnes over de buitengerechtelijke behandeling van conflicten op te zetten. Vooral het bedrijfsleven maakt er tot nu toe weinig gebruik van. Daarom wordt eveneens voorgesteld ondernemingen verplicht te informeren over de voordelen. Ook wordt de Europese Commissie verzocht minimumnormen voor de alternatieve regeling van sectoroverschrijdende geschillen vast te leggen, de bestaande regelingen verder te ontwikkelen, en de lidstaten en de betrokken sectoren aan te moedigen meer financiële middelen ter beschikking te stellen.